Naar PROFISC

Nieuwsbrief oktober 2010

THUISZORGWERKZAAMHEDEN GEEN WINST UIT ONDERNEMING
Een verpleegkundige werkte tot haar pensionering in loondienst en daarna in de thuiszorg. Via vier bemiddelingsbureaus werkte ze in 2006 in totaal 1561 uur. In haar aangifte werden de opbrengsten van de thuiszorgwerkzaamheden opgenomen als resultaat uit overige werkzaamheden. Nadat de aanslagen conform de aangifte waren opgelegd werden de aangiftes herzien en werden de opbrengsten als winst uit onderneming verantwoord. Tevens werd zelfstandigenaftrek geclaimd en gedoteerd aan de fiscale oudedagsreserve. De fiscus behandelde de herziene aangifte als een bezwaarschrift en wees het bezwaar af. In beroep stelde de verpleegkundige dat zij haar werkzaamheden voor de bemiddelingsbureaus als ondernemer verrichtte omdat zij voor verschillende opdrachtgevers werkte, reclame maakte en ondernemersrisico liep. De bureaus verrichtten voor haar enkel administratieve taken. De Rechtbank Leeuwarden concludeerde dat de voor het ondernemerschap vereiste zelfstandigheid ontbrak. Voor de toewijzing van cliënten was de verpleegkundige afhankelijk van de bemiddelingsbureaus. Die bureaus factureerden en ook betaalden patiënten rechtstreeks aan de bureaus. Vervanging en de uitbetaling verzorgden de bureaus. De verpleegkundige hanteerde verder het door de bureaus voorgeschreven uurtarief. Volgens de rechter waren de bureaus als opdrachtnemer van de patiënten aan te merken. De rechtbank wees het beroep af.

SAMENWERKINGSVERBAND TANDARTS EN ECHTGENOTE NIET ONGEBRUIKELIJK
Een vrouw was een samenwerkingsverband aangegaan met haar echtgenoot die tandarts was. De vrouw had geen opleiding tot tandarts gevolgd. Het samenwerkingsverband exploiteerde een praktijk, bestaande uit drie onderdelen: een cosmetische praktijk, een reguliere praktijk en een bleekpraktijk. De echtgenoot hield zich nagenoeg uitsluitend bezig met de cosmetische tandheelkunde. De vrouw draaide de bleekpraktijk. De fiscus vond dat er geen recht bestond op de zelfstandigenaftrek vanwege de zogenoemde uitsluitingsregel inzake het urencriterium. Het Gerechtshof deelde de visie van de fiscus echter niet. Beide firmanten vervulden volgens het hof namelijk een wezenlijke rol in de onderneming. Ieders specifieke ondernemerskwaliteiten werden daarvoor ingezet. Een verdeling van de activiteiten en verantwoordelijkheden als hier aan de orde, achtte het hof niet ongebruikelijk bij samenwerkingsverbanden tussen niet-verbonden personen.

BUA NIET VAN TOEPASSING OP LOON IN NATURA
Naar aanleiding van vragen heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat de categorie uitgaven inzake goederen en diensten die worden gebezigd voor loon in natura, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie, onvoldoende bepaald en te ruim was. Voor deze categorie uitgaven kon geen uitsluiting van de aftrek van omzetbelasting plaatsvinden.

HEFFINGSRENTE BEPERKT OP GROND VAN ZORGVULDIGHEIDSBEGINSEL
Op basis van een ingediende aangifte werd in 2007 een voorlopige aanslag IB 2006 opgelegd. In 2008 deelde de fiscus mede dat bij de aanslagregeling zou worden afgeweken van de aangifte omdat er wat minder loonheffing was ingehouden dan was aangegeven. De ontvanger van de aanslag berustte daarin maar bestreed de definitieve aanslag die in 2009 werd opgelegd omdat de fiscus ook de arbeidskorting schrapte. Ook werd de beschikking heffingsrente bestreden. De heffingsrente was berekend over de periode 1 januari 2007 tot 14 oktober 2009, de datum waarop de aanslag was opgelegd. Rechtbank Leeuwarden stelde vast dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgde dat op inkomsten uit vroegere arbeid de groene tabel moest worden toegepast. De arbeidskorting gold alleen als er sprake was van inkomsten die aan te merken waren als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Op dit onderdeel was het beroep ongegrond. Dat veranderde niet met een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het beroep tegen de beschikking heffingrente was wel gegrond. De rechtbank vond de termijn tussen het moment waarop alle elementen voor het opleggen van de belastingaanslag bekend waren (7 augustus 2008) en de datum van het vaststellen van de definitieve aanslag (14 november 2009) onnodig lang. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel moest de fiscus binnen drie maanden na de datum van 7 augustus, op uiterlijk op 7 november 2008 een nadere voorlopige aanslag opleggen. Niet noodzakelijk was dat zelf om een voorlopige aanslag werd verzocht.

 

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede in verband met de omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.