Naar PROFISC

Nieuwsbrief december 2010

BEZWAAR MAKEN VOOR ONDERNEMERS: PREJUDICIËLE VRAGEN OVER AFTREKBEPERKING BTW EN PRIVÉ-GEBRUIK AUTO
Een belastingadviseur had in 2006 achtereenvolgens voor de BTW twee auto’s zakelijk geëtiketteerd en die zowel binnen het kader van de onderneming als daarbuiten gebruikt. Hij reed in dat jaar meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden met de auto’s. In de BTW- aangifte over het vierde kwartaal was in verband met privégebruik het forfaitaire bedrag van € 538 als verschuldigd vermeld. De fiscus wees vervolgens het door de adviseur aangetekende bezwaar hiertegen af. De Rechtbank Breda stelde de adviseur in het ongelijk, maar de Hoge Raad stelt prejudiciële vragen. Vereenvoudigd is de vraag voornamelijk of Nederland de Zesde richtlijn juist heeft verwerkt in haar nationale regeling. Als het Hof van Justitie van mening is dat dit niet zo is, dan rijst vervolgens de vraag of de regeling in haar geheel buiten toepassing moet worden gelaten of dat kan worden volstaan met het buiten toepassing laten van een deel van de regeling.

 

Ondernemers kunnen tegen de BTW-correctie voor het privé gebruik met een verwijzing naar deze procedure auto bezwaar maken of een reeds gemaakt bezwaar handhaven. Voor werknemers en DGA’s is inmiddels al wel beslist dat de BTW-correctie voor de auto terecht is; voor ondernemers is dat dus nog niet duidelijk.

UITSTEL VAN WINSTNEMING VOOR DEEL VERKOOPWINST BEDRIJFSPAND
Een in onroerend goed handelende fiscale eenheid leverde in mei 2001 een nieuw gebouwd bedrijfspand op. Dat werd voor een deel door haar in gebruik genomen. Het pand werd met een boekwinst van € 3.477.076 verkocht aan een andere BV. De fiscale eenheid huurde het pand per 2 mei 2001 voor een marktconforme huurprijs voor tien jaren, met een voorkeursrecht van koop evenals het recht van onderverhuur. De verhuurder had aanspraak op 50% van de meeropbrengst bij onderverhuur. De fiscale eenheid wilde uitstel van winstneming voor de boekwinst vanwege de door haar gestelde huurgarantie. Volgens de Hoge Raad had de fiscale eenheid wel een punt. Wanneer namelijk een gedeelte van de verkoopopbrengst moest worden aangemerkt als een vergoeding voor door de fiscale eenheid te lopen risico’s, welke bestonden uit per saldo te verwachten verliezen met betrekking tot de huur van het niet in eigen gebruik zijnde gedeelte van het pand, mocht dit gedeelte van de verkoopopbrengst worden toegerekend aan de periode waarin deze risico’s werden gelopen. Dit punt moest nader worden onderzocht door een verwijzingshof.

BIJ HERFINANCIERING EIGENWONINGSCHULD OOK AFTREK RENTE VOOR AFSLUITPROVISIE EN KOSTEN HYPOTHEEKAKTE
Bij de herfinanciering van de hypothecaire lening van een eigen woning werden onder andere ook de boeterente, de kosten van de hypotheekakte, de Nationale Hypotheekgarantie en de afsluitprovisie meegefinancierd. De fiscus accepteerde de aftrek niet van de rente die zag op de boeterente en kosten. De Rechtbank Leeuwarden oordeelde echter, dat de rente die betrekking had op de kosten van de hypotheekakte, de Nationale Hypotheekgarantie en de afsluitprovisie aftrekbaar was. Weliswaar bood de tekst van de wet daarvoor geen steun, maar de parlementaire behandeling en de daarop gebaseerde besluiten van de staatssecretaris gaven een ruime uitleg. Aftrek van de rente die daarop betrekking had was dus mogelijk.

ADVIESKOSTEN VOOR ECHTSCHEIDING AFTREKBAAR
Een man en vrouw exploiteerden in de vorm van een VOF een manege. Door een ongeval raakte de man op 17 mei 1996 arbeidsongeschikt. Hij paste daarop met zijn vrouw per die datum het firmacontract aan. Ze kwamen overeen dat een vennoot bij arbeidsongeschiktheid geen recht had op een winstaandeel. In 2001 werd het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De fiscus corrigeerde naar aanleiding van een boekenonderzoek de winst uit onderneming voor het jaar 2001. Er werd een navorderingsaanslag opgelegd. De correcties werden daarbij volledig toegerekend aan de vrouw. Een van de correcties had betrekking op de advieskosten in verband met de echtscheiding en de overdracht van de onderneming. Rechtbank Haarlem oordeelde dat de inspecteur de correcties op grond van de aanvulling van het firmacontract uit 1996 terecht aan de vrouw had opgelegd. Nu de man arbeidsongeschikt was, had hij vanaf 17 mei 1996 geen recht meer op een aandeel in de winst. Ten aanzien van de advieskosten besliste de rechter uiteindelijk dat de kosten voor de beëindiging voor de VOF tot de kosten van de onderneming behoorden. Dat de echtscheiding de achterliggende reden was voor de beëindiging van de onderneming, was daarbij niet van belang. De advies/advocaatkosten die hun grond vonden in de ontbinding van de VOF waren aftrekbaar.

VERGOEDING VOOR WERKRUIMTE IN EIGEN WONING VAN DGA WAS LOON
Een BV was gevestigd op het adres van de eigen woning van haar directeur en enig aandeelhouder (DGA). De BV huurde tegen vergoeding een werkruimte van haar directeur/aandeelhouder. De werkruimte was aan de woning gebouwd. De ruimte werd alleen zakelijk gebruikt, was via de woning en tuin toegankelijk en beschikte niet over eigen sanitaire voorzieningen. De DGA gaf de werkruimte aan in box 3. De DGA merkte de huur als een onbelaste vergoeding aan. Volgens de fiscus vormde de vergoeding ten dele loon. De rechter vond dat ook. Er was namelijk sprake van een oorzakelijk verband tussen de vergoeding voor het gebruik van de werkruimte en de dienstbetrekking. De werkruimte zou nimmer aan een derde kunnen worden verhuurd.

AFTREKBAAR VERLIES OP ONGEBRUIKELIJKE BEDRIJFSLENINGEN AAN ZOON
Een man en vrouw verstrekten twee leningen aan hun meerderjarige zoon. De leningen waren bestemd als financiering van een VOF waarvan de zoon firmant was. De man en vrouw hadden voor de leningen een hypotheek genomen op hun eigen woning. Deze woning was bedoeld als oudedagsvoorziening. De zoon zette de onderneming van de VOF in 2003 als eenmanszaak voort en beëindigde deze in 2006. Daarna werd op hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing. In de aangifte inkomstenbelasting over 2004 werd het afwaarderingsverlies op de leningen in aftrek gebracht. De rechter was op basis van feiten en omstandigheden uiteindelijk van oordeel dat sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Daardoor vielen de leningen in box 1. In dat geval was de afwaardering van de leningen aftrekbaar van het box 1-inkomen.

ONBELASTE VERKOOPWINST OP VERBOUWDE WONINGEN DOOR WAO-ER MET KLUSBEDRIJF
In de vorm van een eenmanszaak exploiteerde een ondernemer een klussenbedrijf vanuit een bedrijfsunit op een bedrijventerrein. De ondernemer woonde in een huurhuis en was voor 35% arbeidsongeschikt verklaard. Eind 2002 kocht hij twee vervallen woningen van een 86-jarige kennis voor een vriendenprijs van in totaal € 25.000. De panden werden voor een financieringsaanvraag getaxeerd op € 75.000. De ondernemer voegde twee huizen samen tot één huis, vergrootte het volume en vernieuwde het dak en de vloer. Hij voerde de bouwwerkzaamheden geheel zelf uit. Hij verkocht het pand in mei 2005 in privé voor € 105.000. De fiscus was na een boekenonderzoek van mening dat de verkoopwinst belast was en legde een navorderingsaanslag IB 2005 op met boete. De rechter oordeelde dat de ondernemer niet verplicht was de panden tot zijn ondernemingvermogen te rekenen. Daarmee was de verkoopwinst op de panden niet belastbaar als winst. Ook slaagde de fiscus er niet in aannemelijk te maken dat de gerealiseerde opbrengst (mede) zijn verklaring vond in de door de ondernemer verrichte arbeid. Er was dan ook geen sprake van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank stelde daartoe vast dat het bij verkoop behaalde voordeel van € 50.000 bestond uit het voordeel ten tijde van de aankoop, doordat de panden voor € 50.000 te goedkoop gekocht hadden kunnen worden. Als door vrijgevigheid een pand kan worden gekocht voor een prijs beneden de verkoopwaarde, kon het bij doorverkoop behaalde voordeel, voor zover dit een gevolg was van die vrijgevigheid, niet aan de arbeid toegerekend. Het voordeel van € 50.000 was alleen terug te voeren op de vrijgevigheid van de verkoper.

TEN ONRECHTE IN REKENING GEBRACHTE BTW WAS NIET AFTREKBAAR
Verschillende BV’s van een groep vormden een fiscale eenheid voor de BTW. Het belang bij de groep berustte bij een DGA. Die had ook aandelen in een andere groep. In 2005 ging een aantal BV’s van de groep failliet. Op de faillissementsdatum werd een deel van het bedrijf van de oude groep verkocht en geleverd aan een BV van de nieuwe groep. Korte tijd later werden ook de voorraden van de oude groep verkocht aan een BV die tot de nieuwe groep behoorde. De BTW die daarbij in rekening werd gebracht werd niet afgedragen. Volgens de fiscus bestond geen recht op aftrek omdat art. 31 Wet OB van toepassing was. Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad hierover dat de verkopende BV op het tijdstip van de levering van de goederen zelfstandig economische activiteiten verrichtte. Vervolgens stelde de Hoge Raad vast dat de BV (uitsluitend) een voorraad goederen had geleverd. De kopende BV was deze voorraad vervolgens in het kader van haar onderneming gaan bezigen. Er was dan volgens de Hoge Raad geen sprake van een overdracht van een algemeenheid van goederen volgens art. 31 Wet OB. Nu er ten onrechte BTW in rekening was gebracht, kwam deze niet voor in aftrek in aanmerking.

NAHEFFINGSAANSLAG NIET BINNEN AANSLAGTERMIJN OPGELEGD DOOR ONJUISTE ADRESSERING
Op 29 december 2007 werd een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2002 opgelegd. De ondernemer stelde dat die buiten de vijfjaarstermijn was opgelegd. De aanslag was niet eerder dan op 10 januari 2008 ontvangen. De Rechtbank Leeuwarden oordeelde dat de naheffingsaanslag die naar het adres van de voormalige gemachtigde was verstuurd niet tijdig was opgelegd. Omdat de nieuwe gemachtigde zich duidelijk als zodanig richting de belastingdienst had gepresenteerd, kwam de onjuiste adressering voor rekening van de belastingdienst. Dat de nieuwe gemachtigde geen expliciete adreswijziging aan de belastingdienst had gestuurd, deed hieraan niet af. De rechtbank achtte nog van belang, dat de belastingdienst eerder het adres van de nieuwe gemachtigde wel als correspondentieadres van de ondernemer had gebruikt. De datum van bekendmaking van de aanslag gold als dagtekening van vaststelling van de aanslag. De rechtbank achtte aannemelijk dat die aanslag vanwege de feestdagen pas op 10 januari 2008 was ontvangen. Daardoor was de aanslag niet binnen vijf jaar opgelegd en moest die komen te vervallen.

EFFECTIEF BEZWAAR EN BEROEP MOGELIJK TEGEN IETS TE HOOG VASTGESTELDE WOZ-WAARDE (‘FIERENSMARGE’)

De Hoge Raad heeft onlangs arrest gewezen in een zaak over de ‘Fierensmarge’ uit de Wet waardering onroerende zaken. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever met de Fierensmarge in strijd kwam met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en dat de wettelijke bepaling waarin de Fierensmarge was opgenomen daarom per direct buiten toepassing moest blijven. Er was geen rechtvaardiging voor de Fierensmarge.

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede in verband met de omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.